B5-BTJM-ref-06.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-03.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-10.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-06.jpg
B5-BTJM-ref-04.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-08.jpg
B5-BTJM-snedes.jpg
B5-BTJM-inplanting.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-12.jpg
B5-BTJM-ref-02.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-05.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-04.jpg
B5_BTJM_10.jpg
B5-BTJM-ref-07.jpg
B5-BTJM-plan.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-07.jpg
B5-BTJM-ref-05.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-02.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-01.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-09.jpg
B5-BTJM-3D-25-09-2014-nr-11.jpg
B5-BTJM-ref-01.jpg

Botanische Tuin Jean Massart

Ontwerpen is onderzoeken, afwegen en kiezen en opnieuw onderzoeken, afwegen en kiezen en opnieuw ….. Vanuit het geheel inzoomen op het detail en vanuit het detail terug uitzoomen naar het geheel. En dit voor zowel de organisatie, de inplanting, de materiaalkeuze de vorm van de bouwvolumes enz.… . Het proces is dynamisch, de bevraging is permanent. Maar zoals gezegd, finaal moeten er knopen doorgehakt worden en liggen er keuzes op tafel.

Vanuit dit zoek- en denkproces kwamen we tot 10 belangrijke beslissingen die tot het uiteindelijk resultaat geleid hebben. Ze zijn gedragen door onze  zorg voor de omgeving, de toevallige bezoeker en voor hen die er elke dag komen werken.

We noemen het ons tien- puntenprogramma.

1. Opsplitsen bouwprogramma.

Op deze wijze kunnen de financiële middelen doelmatiger ingezet worden. En kunnen we meer m2 nuttige ruimte realiseren. We streven naar een zekere ‘overmaat’. Er moet méér ruimte zijn dan het strikte minimum. Dit laat toe te groeien, aan te passen, te improviseren en te evolueren. Noem het ook ‘ademruimte’ om je er als dagelijkse gebruiker goed in te voelen.

2. De paviljoenen F1, F2 en F3 niet slopen maar revitaliseren!

Deze paviljoenen zijn ontworpen door de architecten Robert Puttemans en Pierre Puttemans. Beide architecten speelden / spelen een belangrijke rol op de Belgische architectuur scène.

De architectuur refereert sterk naar het werk van Jean Prouvé en is zonder meer kwalitatief. Het is de volgens Pierre Puttemans de moeite waard om onderzoeken wie het uitvoerende aannemersbedrijf was en of bij de uitvoeringen patenten van Jean Prouvé werden gebruikt.

De huidige werkruimten, leslokaal, refter en bureau baden in het licht dat binnenvalt door de grote glaspartijen. Dankzij de hoge plafonds ogen de lokalen ruim. Op thermisch / energetisch en technisch vlak zijn de paviljoenen zijn er belangrijke problemen, maar dit kan aangepakt worden.

De ontwerpers kozen er destijds bewust voor om het bouwprogramma op te splitsen in afzonderlijke paviljoenen, zorgvuldig ingeplant op het hellend terrein..

Vanuit ecologisch standpunt zijn herbruik en recyclage aan te bevelen boven sloping. De totale ecologische footprint van afbraak + nieuwbouw is groter dan deze van renovatie. Soms is afbraak de enige oplossing. Hier zien we echter andere mogelijkheden.

3. De bakstenen berging slopen.

Het gebouw wordt amper gebruikt, is in slechte staat en hypothekeert verdere ontwikkelingen.

4. De serre behouden.

Deze constructie met schoorsteen en ondergrondse stookruimte en kolenkelder kan een meerwaarde zijn voor de botanische tuin, de functie is nog concreet in te vullen.

5. Een nieuw paviljoen.

Het nieuwe paviljoen omvat alle ‘warme functies’: de kleedkamers, het sanitair en de droogkamer. Daarnaast liggen de refter / keuken en bureau. De verschillende functie zijn achter elkaar gelegen in het langwerpige volume. Het sanitaire gedeelte heeft een gesloten karakter. Refter / keuken en bureau hebben een heel open karakter en daarmee ook een directe relatie met de omgeving. Doordat de refter / keuken naast het bureau gelegen is kan deze ruimte ook gebruikt worden als informele vergader- en ontmoetingsruimte.

Refter / keuken en bureau liggen centraal in het gebouwencomplex, in nauw contact met de omgeving. Vanuit de refter / keuken en bureau kan je de werking en de bezoekers gadeslaan.

Daarnaast omvat het bouwvolume een overdekte buitenruimte in het verlengde van het bureau. Het grondniveau onder deze luifel bevindt zich op het natuurlijk niveau van de tuin en sluit aan via een helling op de binnentuin of ‘hortus conclusus’. Vanuit deze plek heeft men zicht op de aangrenzende tuinen. Door de overkapping op het natuurlijk hellend terrein te situeren hebben we een hoge plafondhoogte onder de luifel en wordt het geheel ruimtelijk en visueel elegant, transparant.

6. Inbreiden, densifiëren, centraliseren.

We kiezen ervoor compact te werken. Hierdoor ontstaat een binnenruimte tussen de oude paviljoenen en het nieuwe.. Er is geen ‘restruimte’ meer én er moet géén nieuw terrein aangesneden worden. Hierdoor blijft alle ruimte vrij voor de botanische tuin zelf. Door te centraliseren haken alle functies op elkaar in, ontstaat een architecturaal geheel, een eiland in de tuin.

7. De niveauverschillen zijn een troef.

Over de lengte van de drie paviljoenen bedraagt de terreinhelling 3.00 m! Dit grote niveauverschil maakt een wandeling tussen de paviljoenen verrassend. In het ontwerp is dit uitgewerkt in het spel van hellende vlakken.

8. De hortus conclusus als hart van de botanische tuin.

Het nieuwe paviljoen wordt zo ingeplant dat er een binnenruimte ontstaat. Het is een transit- en ontmoetingsplek. Errond liggen de paviljoenen. Het kloppend hart in de werking van de botanische tuin is een besloten tuin! Een ‘hortus conclusus’.

De hortus conclusus is het archetype van de tuin. Het woord ‘tuin’ is afgeleid van het begrip ‘omtuining’, wat  wil zeggen het afbakenen van een terrein met een vlechtwerk van (wilgen-) tenen. De hortus conclusus kende men al drieduizend jaar geleden in de oosterse beschavingen als archetype van het paradijs. In de middeleeuwen werd dit vertaald naar de Europese context waarin ze gestalte krijgt in bijvoorbeeld de kloosterarchitectuur. In die  zin is er een referentie aan het aangrenzende ‘Rode Klooster’ dat dateert uit de late 14de eeuw. Sinds de middeleeuwen is de hortus conclusus verankerd in onze Europese tuintraditie.

Het oud- Engelse geard betekent (gevlochten) omheining en daar is omsloten ruimte van afgeleid. (“The Garden as an Enclosure”1986, Anne van Erp- houtepen)

‘De tuin verzamelt het landschap om zich heen (tuin) en sluit zich ervan af (omsloten). De omsloten tuin is weids als het landschap doordat de uitgebreidheid van de hemel erin wordt opgenomen, en is tegelijkertijd omsloten als een gebouw.’ (” De omsloten Tuin, Rob Aben, Saskia de Wit, uitgeverij 010)

De omsloten tuin is een oertype in de tuinarchitectuur en de bouwkunst.

De binnentuin is het knooppunten van de looplijnen en de visuele relaties. Bezoeker worden opgenomen in de organisatie en staan letterlijk midden in de werking van de tuin. Daarbij maakt men kennis met de bedrijvigheid van de tuinman en de wetenschapper.

Een boom op het middenplein is het enige groene element in deze binnentuin. Het plein wordt van de hellende vlakken afgezoomd door een houten zitbank. De bank nodigt uit hier even te verblijven.

9. Het labyrint

Het gebouwencomplex heeft een labyrintisch karakter. Tussen de paviljoenen wandelend gaat de bezoeker op ontdekking. Het is een visueel en ruimtelijk spel die de nieuwsgierigheid prikkelt.

We willen dit karakter nog versterken door rond het gebouwencomplex een berkenbos aan te planten in de dolomietverharding. Doorheen de stammen en tussen de gebouwen door, de niveauverschillen overbruggend, zoekt de bezoeker zijn weg. Niets toont zich onmiddellijk. Elk zicht verbergt een ander. Het spel van tonen en versluieren wordt hier verdergezet.

‘Er is geen vrijheid in de zandwoestijn.

Al staan er nergens hekken, nergens palen.

Het is maar beter – als je vrij wilt zijn –

Om sierlijk door een labyrint te dwalen’

Gerrit Komrij, 1984

Het labyrint is een vaak gebruikt thema in landschaps- en tuinarchitectuur. Tevens is het een thema doorheen de geschiedenis van de architectuur.

10. De plint

De plint bindt de paviljoenen tot een ruimtelijk geheel en verankert dit geheel in het landschap.

De paviljoenen ontworpen door de architecten Robert en Pierre Puttemans hebben een lichte structuur op gemetste kolommen. De vrije luchtcirculatie onder de vloer zorgde echter voor een sterke onderkoeling van de vloer wat nefast is voor het binnenklimaat. Doorheen de tijd werden de openingen tussen de kolommen dan ook dichtgemaakt met plaatmateriaal. Hierdoor ontstaat een geïmproviseerde plint waarop de paviljoenen verrijzen.

In ons voorstel willen we de geïmproviseerde plint explicieter maken door ze te vervangen door veldoven baksteen. Met dit materiaal  worden de gevels van het nieuwe paviljoen opgetrokken, en met dezelfde steen – maar dan harder gebakken in vorm van klinkers- worden de hellende vlakken en het binnenplein verhard.

Het grondvlak van de vier paviljoenen en de tussenliggende ruimten wordt daarmee één afgelijnd geheel. Hoewel de aansluiting van de verharding met de omgeving zonder niveauverschil is ter hoogte van de toegangen wordt daardoor wel een grens gedefinieerd tussen het gebouwencomplex en de omliggende tuin. Er is een duidelijk ‘binnen’ en ‘buiten’.

Locatie: Oudergem - Brussel Type project: Architectuurwedstrijd - Laureaat Ingenieur: Technum